Nederlandse versie
Meaning of
"1 aanspraak"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
1 aanspraak; vordering, eis; 2 stelling, bewering; 3 voorkeur(s)recht, optie; 4 (mijn)concessie, mijnrecht
claim
1 aanspraak maken op; vorderen, (op)eisen; 2 beweren, pretenderen, stellen; 3 reserveren
claimen