Nederlandse versie
Meaning of
"zak"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
zakken
abort
zaken
affairs
zakalmanak
agenda
zakalmanak
appointment book
zak
arsehole
zak
bag
zak {de}
bag
zakken
bag
zak
bag; pocket; valley; dip
zakken
bags
zak
bastard
zakportefeuille
billfold
zakportefeuilles
billfolds
zakgat
blind hole
zak
box
zaken
business
zakenwereld
business
zakenklasse
business class
zakenvriend
business friend
zakenman
business man
zakenlieden
business men
zakenrelatie
business relation
zakenstoel, zakenplaats
business seat
zakelijk verkeer
business traffic
zakenman
businessman
zakenman {de}
businessman
zakenmannen {mv}
businessmen
zakenvrouw {de}
businesswoman
zakenvrouwen {mv}
businesswomen
zakelijk onderpand
collateral
zakelijke
commercial
zakelijk
concise
zak
container
zakken
descend
zaken die de distributie beïnvloeden
distribution constraints
zaklantaarn
electrictorch
zakenklasse
executive class
zakelijk/feitelijk verslag, feitenrelaas
factual account
zakken
fail
zakken
fall
zaklantaarn {de}
flashlight
zaklantaarns {mv}
flashlights
zakken
go down
zakcomputer, handcomputer
handheld
zakdoek
handkerchief
zakdoek {de}
handkerchief
zakdoeken
handkerchiefs
zakdoeken {mv}
handkerchiefs
zaktelefoon
handset
zaktelefoons
handsets
zakdoek {de}
hanky (coll.)
zak
jug
zakenman
merchant
zakken
miscarry
zaken doen
negotiate
zakendoen
negotiate
zakboekje
notebook
zakcomputer
notebook
zakmes
pen-knife
zakkenroller
pick pocket
zakkenrollers
pick pockets
zakkenroller
pickpocket
zakkenroller {de}
pickpocket
zak
pocket
zak {de}
pocket
zak-, in zakformaat
pocket-
zakmodel
pocket model
zakgeld {het}
pocket money
zakformaat
pocket size
zakuitgave, zakboek(je)
pocketboek
zakboekje
pocketbook
zakboekjes
pocketbooks
zakken
pockets
zak
poke
zak
pouch
zakken
pouches
zakken onder de ogen
puffiness around the eyes, bags / dark circles under the eyes
zak
sac
zak
sack
zak {de}
sack
zakken
sack
zakken
sacks
zakken
sacs
zakkers
sags
zak
son-of-a-bitch
zakken
subside
zakte
subsided
zakt
subsides
zakken
to come down
zakken
to drop (fall)
zakken (examen, test)
to fail (exam, test)
zakken
to fall through
zakken
to fall; to sag; to come down; to sink
zakken
to flunk
zakken
to go down
zakken
to sink
zaklamp {de}
torch (Br.)
zaken doen
trade
zakendoen
trade
zakachtig
unpressed