Nederlandse versie
Translate
"assign"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
assign
wijzen toe
assign
voor het gerecht dagen
assign
toewijzen (taak/functie)
assign
toewijzen
assign
toebedelen
assign
dagvaarden
assign
dagen
assign
betekenen
assign
als taak opgeven
assignable
toewijsbaar
assignable cause
aanwijsbare oorzaak
assignanumber
nummeren
assignation
opdracht
assignations
opdrachten
assigned
toegewezen
assigned
toegekend
assigned frequency
toegewezen frequentie
assigned frequency band
toegewezen frequentieband
assignedjob
taak
assignedjob
klus
assignedjob
karwei
assignee
gevolmachtigde
assignees
gevolmachtigden
assigning
toewijzing
assignment
toekenning
assignment
taak
assignment
opgave
assignment
opdracht {de}
assignment
opdracht
assignment by name
toewijzing via naam
assignment statement
toewijzingsopdracht
assignment, (mission, appointment)
taak, opdracht, (functie)
assignment; task; brief; instruction; command; statement; order
opdracht
assignments
taken
assignor
overdrager
assignors
overdrageren
assigns
wijst toe