Nederlandse versie
Translate
"exit"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
exit
vertrekken
exit
uitweg
exit
uittreden
exit
uitstijgen
exit
uitstappen
exit
uitrit
exit
uitlopen
exit
uitkomen
exit
uitgangsopdracht
exit
uitgang, uit
exit
uitgang {de}
exit
uitgang
exit
uitgaan
exit
afrit
exit
afgaan
exit (road)
uitgang (-sweg)
exit point; starting point; point of departure; basis; datum point; reference point
uitgangspunt
exit program; source program
uitgangsprogramma
exit routine
uitgangsroutine
exit zijn
eruit liggen; uit (de mode) zijn, verleden tijd zijn
exit; output; port
uitgang
exit-door
uitgangsdeur
exited
weggegaane
exiting
het weggaan
exit-interview, exitgesprek
1 ontslaggesprek; 2 uitstroomgesprek
exitpoll
stembuspeiling, uitgangspeiling
exits
uitgangen {mv}
exits
uitgangen