Nederlandse versie
Translate
"hit"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
hit
treffer
hit
treffen
hit
transiënte verstoring
hit
teisteren
hit
stoot
hit
slag {de}
hit
slag
hit
slaan
hit
raken
hit
opvallen
hit
kloppen
hit
klappen
hit
klap
hit
inslaan
hit
inhalen
hit
houwen
hit
houw
hit
halen
hit
getroffen
hit
furore
hit
botsing
hit
best-seller
hit
bestseller
hit
bereiken
hit
behalen
hit
aanvaring
hit
aanrijding
hit
1 succes(nummer), kassucces; 2 (ICT) treffer; 3 voltreffer, rake klap
hit and run
vluchtmisdrijf {het}
hit and run accident
ongeval {het} met vluchtmisdrijf
hit code
trefcode
hit code
hitcode
hit, (impact)
1. slaan, raken, treffen, (treffen/inslaan projectiel) 2. treffer, (inslag)
hit-and-run
bliksem-, overrompelings-, verrassings-
hit-and-run
1 guerrillatactiek, toeslaan en wegwezen; 2 doorrijden na aanrijding, (aanrijding-met-)vluchtmisdrijf
hit-and-run accident
doorrijden na een ongeval
hit-and-run drivers
doorijders na een ongeval
hitch
hapering
hitch
beletsel
hitch on
vasthaken
hitch on
haken
hitch on
enteren
hitch on
aanhaken
hitches
haperingen
hitchhike
liften
hitchhiked
gelifte
hitchhiken
liften
hitchhiker
lifter
hitchhikers
lifters
hitchhikes
lift
hitchhiking
lift
hitchon
vasthaken
hitchon
haken
hitchon
enteren
hitchon
aanhaken
hither
hierheen
hither
hier
hitherto
tot nu toe
hitherto (literary)
tot dusverre
hitherto (literary)
tot dusver
hitherto (literary)
dusverre
hitherto (literary)
dusver
hit-on-the-fly printer
vliegende afdrukmachine
hits
klappen
hitten
1 raken, treffen; 2 toeslaan
hitting
het raken
hitting with a fist/rifle butt, (butt stroke)
vuistslag, slag/stoot met geweerkolf