Nederlandse versie
Translate
"on"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
on
voorwaarts
on
vooruit
on
voort
on
voorover
on
van
on
tot
on
te
on
op
on
om
on
naarvoren
on
naar voren
on
met
on
meer
on
langer
on
jegens
on
erop
on
door
on
binnen
on
betreffende
on
aangaande
on
aan, in werking, ingeschakeld
on
aan
on / near pedestrian crossing
op / nabij voetgangersoversteekplaats
on a large scale
op grote schaal
on account
opafbetaling
on account
op afbetaling
on account of
wegens
on account of
voor
on account of
vanwege
on account of
uit
on account of
opgrondvan
on account of
op grond van
on account of
op
on account of
naaraanleidingvan
on account of
naar aanleiding van
on account of
inruilvoor
on account of
in ruil voor
on account of
door
on account of; in consequence of; due to
wegens
on ager
onager
on anism
masturbatie
on average
gemiddeld
on behalf of
vanwege
on behalf of
namens
on board
aanboord
on board
aan boord
on both sides of; on each side of
weerskanten (aan ... van)
on both sides of; on each side of
aan weerskanten van
on call
op afroep
on duty
tijdens de dienst, in functie
on end
overeind
on end
onophoudelijk
on end
ononderbroken
on end
inéénruk
on end
in één ruk
on end
achtereen
on end
aanéénstukdoor
on end
aaneen
on end
aan één stuk door
on every side
aanallekanten
on fire
in brand
on foot
tevoet
on foot
te voet
on Friday
op vrijdag
on hand, (available)
beschikbaar
on hand; in hand; in store; available
in voorraad
on high
omhoog
on it
erop
on it
eraan
on it
daarop
on line
¿ verbonden, aangekoppeld
on line
¿ met verbinding, aangekoppeld
on Monday
op maandag
on Mondays
’s maandags
on occasion
opeenkeer
on occasion
op een keer
on occasion
eens
on occasion
bijgelegenheid
on occasion
bij gelegenheid
on omatopoeia
klanknabootsing
on one another; on each other; together
opeen
on one side; single sided; one-sided
eenzijdig
on one’s back
achterover
on only
maar één
on order
in opdracht, op nader bevel
on purpose
wetens
on purpose
opzettelijk
on purpose
moedwillig
on purpose
metopzet
on purpose
met opzet
on purpose
expres
on receipt
bij ontvangst
on reflection
bij nader inzien
on request
op aanvraag
on rush
toeloop
on rushes
toelopen
on Saturday
op zaterdag
on set
begin
on sets
begin
on shore
kust