Nederlandse versie
Translate
"once"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
once
wanneer
once
vroeger
once
vorig
once
voormalig
once
voorgaand
once
voorafgaand
once
verleden
once
toen
once
terwijl
once
opeenkeer
once
op een keer
once
gewezen
once
ex-
once
eens
once
eenmaal
once
éénkeer
once
één keer
once
als
once a week; every week
weekelijks
once again
nogmaals
once more
weer
once more
wederom
once more
weder
once more
vanvorenafaan
once more
van voren af aan
once more
nogmaals
once more
nogeenkeer
once more
nog een keer
once more
alweer
once upon a time
eens