English version
partner
betekenis
"partner vertaling"
Engels > Nederlands
Nederlands > Engels
Engels
Nederlands
partner
vennoot
partner
partner {de}
partner
partner
partner
lid
partner
eega
partner
echtgenote
partner
associé
partner
1 levensgezel(lin), maatje, wederhelft; 2 vennoot, compagnon, maat; 3 spe(e)lgenoot, medespeler, ( )maat(je)
partner
(handels-, reis-, gespreks- enz.)genoot, (bridge-, tennis-, whist- enz.)maat, -makker
partner abuse
partnermishandeling
partner zijn
samenwerken
partners
genoten
partnership
vennootschap
partnership
partnerschap
partnership
1 samenwerkingsverband, samenwerking; 2 participatie, deelgenootschap, deelhebberschap
partnerships
vennootschappen