Nederlandse versie
Meaning of
"doe"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
doen van afstand
abdicate
doet van afstand
abdicates
doen falen
abort
doenlijk
achievable
doen
achieve
doen
act
doenbaarheid
affordability
doen samenklonteren
agglomerate
doen samenkleven
agglutinate
doel
aim
doel {het}
aim
doelstelling
aim
doelwit
aim
doelstelling
aim, (objective, goal, intent, target)
doelloos
aimless
doelloos
aimlessly
doelloosheid
aimlessness
doelstellingen
aims
doen zich voor
arise
doet zich voor
arises
doe failliet gaan
bankrupt
doen failliet gaan
bankrupted
doet failliet gaan
bankrupts
doen zwellen
bellied
doen overhellen
bend
doen koken
boil
doen zwellen
bulged
doel
butt
Doei!
Bye!
doek
canvas
doek {het} (schilderstuk)
canvas
doek
canvass
doen
cause
doen barsten
chapped
doek
cloth
doek {de}
cloth
doeken
cloths
doen ineenstorten
collapsed
doelmatig
convenient
doeltreffend, toereikend, behulpzaam
convenient
doek
curtain
doek {het} (toneelgordijn)
curtain
doen afwijken
deflect
doen afwijken
deflected
doet afwijken
deflects
doelbewust
deliberately
doen bezinken
deposit
doel
determination
doelstelling
determination
doelwit
determination
doen ontploffen
detonate
doen ontploffen
detonated
doet ontploffen
detonates
doen ontstaan
develop
doen uitzetten
distend
doen uitzetten
distended
doet uitzetten
distends
doe
do
doen
do
doet
do
doenbaar
do able
doe-het-zelf-
do-it-yourself (attr)
doemen
doom
doek
drape
doek
drapery
doen verdwijnen
drown
Doebai {het} (Verenigde Arabische Emiraten)
Dubai (United Arab Emirates)
Doesjanbe {het}
Dushanbe
doelmatig
effective
doeltreffend
effective
doeltreffendheid
effectiveness
doeltreffendheid; de efficiëntie
effectiveness, efficiency
doeltreffend
effectual
doeltreffend
efficacious
doeltreffend; effectief
efficacious
doeltreffend
efficaciously
doeltreffendheid
efficacy
doelmatigheid
efficiency
doeltreffendheid
efficiency
doelmatig
efficient
doel(stelling) op zich zelf
end in itself
doen opleven
enliven
doet opleven
enlivens
doen verdampen
evaporate
doen
execute
doelmatig, uitkomst biedend, opportunistisch
expedient
doen alsof
feign
doen pluizen
flocculate
doelgroep
focus group
doen schrikken
frighten
doel
function
doelstelling
function
doelwit
function
doen
get
doen
give
doen alsof
give as an excuse
doe me een lol, maak ’t effe, zo kan-ie wel weer
give me a break
Doe me een lol!
Give me a break! (coll., expressing annoyance)
Doe gerust!
Go ahead!
doel
goal