Nederlandse versie
Meaning of
"werken"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
werken
act
werkend
active
werken op
agitate
werken
beeffective
werken samen
collaborate
werken samen
cooperate
werken met dubbele woordlengte
double-length working; double-precision working
werkend
effective
werkend
efficient
werken uit
elaborate
werken op
excite
werken
ferment
werken
function
werken
go
werken
have effect
werkend
in action
werkend
inaction
werken op elkaar in
interact
werken op elkaar in
interwork
werkende delen
moving parts; working parts
werken met meervoudige woordlengte
multiple-length working; multiple-length arithmetic; multiple-precision working; multiple-precision arithmetic
werken
operate
werken op
rouse
werkenop
rouse
werken
run
werken in staand bad
still plating
werken op
stir up
werkenop
stir up
werken tegen
thwart
werken op
to act on
werken op batterijen
to be battery-operated; to be battery-powered
werken
to work
werken aan iets
to work on sth.
werken aan
to work on; to be engaged on
werken
to work; to function; to run; to operate; to warp; to become warped
werken
vary
werken
work
werken in groepsverband
work as a team
werkend
working
werkende stand
working class
werkendestand
working class
werkende stand
working classes
werkendestand
working classes
werkende bevolking
working population
werken
works
werkenveloppe
workspace envelope
werken
writings