Nederlandse versie
Meaning of
"zich"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
zich overgeven
abandononeself
zich verlagen
abaseoneself
zich vernederen
abaseoneself
zich houden aan
abideby
zich verloochenen
abnegate
zich versterven
abnegate
zich uit de voeten maken
abscond
zich verwijderen
absentonself
zich onthouden
abstain
zich onthouden van, afstand nemen van
abstain from, (refrain from, desist from)
zich onthouden van
abstainfrom
zich toe
abstract
zich toeëigenen
abstract
zich aanpassen
accomodate oneself
zich schikken
accomodate oneself
zich aanpassen
accomodateoneself
zich schikken
accomodateoneself
zich opeenhopen
accumulate
zich ophopen
accumulate
zich opeenhopend
accumulative
zich ophopend
accumulative
zich bekend maken
acquaint oneself
zich op de hoogte stellen van
acquaint oneself with
zich eigen maken
acquire
zich aanpassen
adapt
zich schikken
adapt
zich aanpassende effening
adaptive smoothing
zich aanpassen
adaptoneself
zich schikken
adaptoneself
zich aanpassen
adhere
zich eigen maken
adopt
zich inzetten voor, bepleiten, (steunen, pleiten voor, voorstaan)
advocate, (endorse, plead, argue)
zich aansluiten bij, (partij kiezen)
affiliate with, (join, take sides)
zich beijveren
aim
zich inspannen
aim
zich verontschuldigen
apologize
zich vervoegen bij
applyto
zich wenden tot
applyto
zich voorgedaan
arisen
zich excuseren
askforgiveness
zich afvragen
askoneself
zich vergrijpen aan
assault
zich aaneensluiten
associate
zich verenigen
associate
zich beijveren
attempt
zich inspannen
attempt
zich aanstellen
attitudinize
zich voordoen
attitudinize
zich bevinden
be
zich generen
be ashamed
zich schamen
be ashamed
zich bewust zijn
be aware of
zich bewust zijn van
be aware of
zich realiseren
be aware of
zich openhartig/ondiplomatiek uitdrukken
be blunt
zich vervelen
be bored
zich sluiten
be closed
zich bewust zijn
be conscious of
zich realiseren
be conscious of
zich bevinden
be found
zich ophouden
be found
zich interesseren
be interested
zich bevinden
be located
zich schrapzetten
be obstinate
zich verhovaardigen
be proud
zich beroemen op
be proud of
zich verheffen op
be proud of
zich stilhouden
be quiet
zich schrapzetten
be stubborn
zich generen
beashamed
zich schamen
beashamed
zich tot het christendom bekeren
become a Christian
zich gewennen aan
become accustomed
zich engageren
become engaged
zich verloven
become engaged
zich verloven met
become engaged with
zich verloven met
become the fiacée of
zich verloven met
become the fiancé of
zich verblijden
beglad
zich verheugen
beglad
zich gedragen
behave
zich ergeren
beindignant
zich verontwaardigen
beindignant
zich ergeren aan
beindignant with
zich laten vermurwen
belenient with
zich bevinden
belocated
zich ophouden
belocated
zich buigen
bend
zich bukken
bend
zich krommen
bend
zich stilhouden
bequiet
zich vervelen
betired of something
zich goed voelen
bewell
zich vermengen
blend
zich vastklampen aan
board
zich vertakken
branch off
zich verspreiden
break up
zich bezighouden met
busy oneself
zich voorzien van
buy
zich overgeven
capitulate