Nederlandse versie
Translate
"appoint"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
appoint
plaatsen
appoint
benoemen
appoint
aanstellen
appoint, (assign)
benoemen, aanstellen, aanwijzen
appointed
benoemd
appointed work; task
werktaak
appointee
aangestelde
appointees
aangestelden
appointing
het benoemen
appointive
van benoeming
appointment
benoeming
appointment
afspraak {de}
appointment
afspraak
appointment
aanstelling
appointment 2. assignment, (mission)
1. benoeming, afspraak, functie 2. taak, functie
appointment book
zakalmanak
appointment book
dagorde
appointment directory
functiedirectory
appointment to office
benoeming
appointment to office
aanstelling
appointments
benoemingen
appoints
benoemt