Nederlandse versie
Translate
"catch"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
catch
vatten
catch
vastpakken
catch
vangst
catch
vangen
catch
teisteren
catch
raken
catch
pakken
catch
ontbranden
catch
inslaan
catch
inhalen
catch
houvast
catch
hechtenis
catch
halen
catch
grijpen
catch
greep
catch
gevangenneming
catch
buit
catch
beetnemen
catch
beetkrijgen
catch
arrestatie
catch
arrest
catch
aanhouding
catch
aangaan
catch
aanfloepen
catch
aanflitsen
catch
1. klempal, klemsluiting 2. begrijpen (snappen), vangen
catch (fishing)
vangst {de}
catch pin
vangpen
catch spindle
meeneemspil
catch spring
meeneemveer
catch; carrier pawl
meeneempal
catch; driver; carrier
meenemer
catch; pawl
arreteerpal
catch-as-catch-can
(het) vrij worstelen
catchen
1 achtervangen, achtervanger zijn; 2 vrij worstelen
catcher
vanger
catcher
inductor
catcher
1 achtervanger; 2 vrij-worstelaar
catcher grid
inductorrooster
catchers
vangers
catches
vangsten
catchfly
silene
catching
verpestend
catching
het vangen
catching
besmettelijk
catching
aanstekelijk
catching diode; clamping diode
vangdiode
catchings
het vangen
catchment
afwatering
catchment area
stroomgebied {het}
catchment area (of a hospital)
verzorgingsgebied (van een ziekenhuis)
catchpenny
prullerig
catchphrase
slagzin {de}
catchphrase
clichéuitdrukking
catchphrases
clichéuitdrukkingen
catchpole
deurwaarder
catchword
wachtwoord
catchwords
wachtwoorden
catchy
boeiend
catchy (name, tune)
pakkend