Nederlandse versie
Translate
"chip"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
chip
spaander
chip
bikken
chip
afbikken
chip
1 flinterschakeling, microschakeling; 2 in betekenis halfgeleider; 3 in betekenis zoutje
chip box
snipperbak
chip breaker
spaanbreker
chip capacitor
chipcondensator
chip clearance
spaanruimte
chip floorplan
vloerplan van een geïntegreerde schakeling
chip removal; chip disposal
spaanafvoer
chip removing; metal removing
spaanafnemend
chip resistor
chipweerstand
chip shop (Br.)
frietkot {het} (BN) (ZvN) (omg.)
chip straining
spaanwerking
chip technology
chiptechnologie
chip; integrated circuit: IC
geïntegreerde schakeling
chip; integrated circuit: IC
chip
chip; shavings
krul
chip; skimmer
spaan
chipboard
spaanplaat
chipcard
chipkaart
chipher
test
chipher
cijferschrift
chiphers
cijferschriften
chipmunk
aardeekhoorn
chipmunks
aardeekhoorns
chipoff
bikken
chipoff
afbikken
chipped
afgebroken
chippen
1 (voetbal, golf) opwippen, lepelen, stiften; 2 in betekenis met chipknip betalen; 3 in betekenis van een chip voorzien
chippendale
chipping
scherf
chipping chisel
kapbeitel
chippings
steenslag
chippings
scherven
chips
spaanders
chips (esp. Am.)
chips {mv}
chips (esp. Br.)
patat {de} (NN)
chips (esp. Br.)
frieten {mv} (BN)
chips (esp. Br.)
friet {de} (ZvN)