Nederlandse versie
Translate
"face"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
face
voorkomen
face
vermetelheid
face
uitzicht
face
toet
face
stoutmoedigheid
face
stoutheid
face
lef
face
kijk
face
het hoofd bieden
face
grijns
face
gezicht {het}
face
gezicht
face
gelaat {het}
face
gelaat
face
gedurfdheid
face
durf
face
bovenvlak
face
air
face
aanzien
face
aangezicht
face
aanblik
face 2. face down
1. onder ogen zien, rekening moeten houden (met) 2. directe confrontatie aangaan, (iemand) persoonlijk aanvallen/attaqueren
face cloth
washandje
face cloths
washandjes
face guard; face shield
gelaatsscherm
face lathe; facing lathe
kopdraaibank
face mill; end mill; face cutter; shell end mill; shell and cutter
kopfrees
face screen
afschermdeksel
face veneer
dekfineer
face; joint face
pasvlak
face-ache
aangezichtspijn
faced
onder ogen gezien
faceless
anoniem
facelift
facelift {de}
Facelift
1 (gelaats)verjonging, opknapbeurt, rimpelstrijk; 2 (uiterlijke) vernieuwing, opknapbeurt, imagoverbetering
facelift, een ~ krijgen
opgekalefaterd worden, in een nieuw jasje gestoken worden
faceliften
1 verjongen, ophalen, rimpelstrijken ; 2 (quasi-)vernieuwen, opknappen, opkalefateren, in een nieuw jasje steken
facepiece
voorzijde
faceplate
draagvlak
faces
gezichten {mv}
faces
gezichten
facet
vlak(je)
facet
facet {het}
facet
facet
facet
facet
facet representation
facetrepresentatie
faceted
gefacetteerde
faceted classification
gefacetteerde classificatie
faceting
het facetteren
facetious
schertsend
facetiousness
geestigheid
face-to-face
1 oog in oog, in persoon; 2 openhartig, recht in het gezicht
facets
facetten