Nederlandse versie
Translate
"grow"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
grow
worden
grow
wassen
grow
voortganghebben
grow
voortgang hebben
grow
verbouwen
grow
toenemen
grow
toegaan
grow
tillen
grow
telen
grow
stijgen
grow
raken
grow
opvoeden
grow
oprichten
grow
opkweken
grow
ophalen
grow
opfokken
grow
kweken
grow
heffen
grow
grootbrengen
grow
groeien
grow
gedijen
grow
gebeuren
grow
fokken
grow
beuren
grow
beschaven
grow
bebouwen
grow
aanwassen
grow
aankweken
grow
aangroeien
grow more beautiful
opknappen
grow more beautiful
mooierworden
grow more beautiful
mooier worden
grow shop
kweekwinkel, kweektoko
grow sour
zuurworden
grow sour
verzuren
grow stronger
opverhaalkomen
grow stronger
op verhaal komen
grow stronger
aansterken
grower
teler {de}
grower
kweker {de}
grower
kweker
growers
kwekers
growing
het groeien
growing
groeiend
growing interface; plane of growth
vlak van aangroeiing
growing; increasing; expanding; augmenting
toenemend
growl
sputteren
growl
morren
growl
mopperen
growl
knorren
growl
kankeren
growl
gegrom
growled
gegromde
growler
ijsschots
growlers
ijsschotsen
growling
het grommen
growls
gegrom
grown
gegroeid
grown diode
getrokken diode
grown junction
getrokken junctie
grown over
begroeid
grown up
grote
grown-up
volwassene {de}
grown-up
volwassene
grown-up
volwassen
grown-up
mondig
grown-up
meerderjarig
grown-up
groot (volwassen)
grownups
volwassenen
grows
groeit
growsour
zuur worden
growsour
verzuren
growth
wasdom
growth
toename
growth
plantengroei
growth
ontwikkeling
growth
ontogenese
growth
groeisel {het}
growth
groei {de}
growth
groei
growth
gestalte
growth
de groei
growth
aanwas
growth
aangroei {de}
growth
aangroei
growth curve
groeikromme
growth factor; endothelial cell growth factor
vasculaire endotheliale groeifactor
growth factor; epidermal cell growth factor
epidermale groeibevorderende stof, de groeifactor
growth process
groeiproces
growth rate
groeisnelheid
growth; increase; expansion; augmentation; rise
toename
growths
de groei