English version
impair
betekenis
"impair vertaling"
Engels > Nederlands
Nederlands > Engels
Engels
Nederlands
impair
schaden
impair, (impede, preclude, divert, obstruct)
beperken, (ver)hinderen, tegenhouden, beletten
impaired
geschade
impaired
bemoeilijkt
impaired parents
kind van gehandikapte ouders
impairing
het schaden
impairings
het schaden
impairment
stoornis
impairment; loss of function
zwakheid, de degradatie, de defect, de stoornis, de beperking; de achteruitgang
impairs
schaadt