English version
one
betekenis
"one vertaling"
Engels > Nederlands
Nederlands > Engels
Engels
Nederlands
one
men
one
je
one
iemand
one
enig
one
eenofandere
one
eenofander
one
een of andere
one
een of ander
one
ëën
one
één
one
een
one address instruction format
eenadresopdrachtvorm
one an other
elkaar
one and a half
anderhalve
one and a half
anderhalf
one and a half
anderhalf
one and the same
eenzelfde
one another
mekaar (omg.)
one another
mekaar
one another
elkander
one another
elkaar
one at a time
inzijneentje
one at a time
in zijn eentje
one at a time
éénperkeer
one at a time
één per keer
one at a time
alleen
one condition; one state
eenstand
one day
eens
one for the road
afzakkertje, (nog) eentje om het af te leren, eentje voor onderweg
one hundred
honderd
one man one vote
ieder één stem, per persoon één stem, één stem de man
one more
nogeen
one more
nog een
one more
meer
one more
extra
one more
aanvullend
one more time
nogeens
one more time
nog eens
one more time
bis
one only
slechtséén
one only
slechts één
one only
maaréén
one output signal; one output
eenuitgangssignaal
one person
eenpersoons-
one state
eentoestand
One swallow doesn’t make a summer.
Eén zwaluw maakt de lente niet / maakt nog geen zomer.
one thousand
duizend
one thousands of an inch
thou
one thousands of an inch
mil
one time
eens
one time
eenmaal
one time
éénkeer
one very side
aan alle kanten
one way street
weg met éénrichtingsverkeer
one-address instruction
eenadresopdracht
one-ahead addressing
een-voorwaartse adressering
one-ahead addressing; implied addressing; stepped addressing
aansluitende adressering
one-component lacquer; single component lacquer
eencomponentlak
one-component paint; single component paint
eencomponentverf
one-eyed
eenogig
one-input terminal
eeningangsterminal
one-issuepartij
eenthemapartij
one-level address
een-niveau adres
one-line tracer
eenlijnschrijver
oneliner
trefzin, pakzin
onemanshow
1 solovoorstelling, eenmansoptreden; 2 eenmansoptreden, solo-optreden
one-night stand
1 (eenmalig) avontuurtje, scharrelwip, klaarover(tje) ; 2 eennachtslief, eennachtsvlieg, klaarover(tje) ;
one-output terminal
eenuitgangsterminal
one-plus-one address instruction
een-plus-een adresinstructie
one-plus-one address instruction format
een-plus-een adresopdrachtvorm
onerous
zwaar
onerous
nijpend
onerous
drukkend
onerous
benauwend
ones
degenen
ones complement; complement of one
een-complement
oneself
zichzelf
oneself
zich
one-sided
eenzijdig
one-sided test; single-tail test
eenzijdige toets
one-sided wave
eenzijdige golf
one-sided; single-sided
enkelzijdig
one-sidedness
eenzijdigheid {de}
one-stop-shop
alles-in-één-winkel/zaak, sinkelwinkel ; eenloketgedachte/systeem, alles-in-één-concept/loket/plek
one-stop-shopping
(het) eendeurswinkelen, (het) omniwinkelen, (het) sinkelen ;
onetime
eens
onetime
eenmaal
onetime
één keer
one-to-many association
een-op-veel associatie
one-to-one association
een-op-een associatie
one-to-one correspondence
een-op-een afbeelding
one-to-one translator; one-to-one assembler
een-op-een vertaler
one-way communication
eenwegcommunicatie
one-way cycle track
eenrichtingsfietspad
one-way mirror
doorkijkspiegel, observatiespiegel
one-way screen
doorkijkspiegel, observatiespiegel
one-way street
eenrichtingsweg {de}
one-way street
eenrichtingsstraat {de} (vooral BN)
one-way streets
eenrichtingswegen {mv}
one-way traffic
eenrichtingsverkeer