English version
opsluiten
Engels
Nederlands > Engels
Engels > Nederlands
Nederlands
Engels
opsluiten, gevangen zetten, (opsluiting, hechtenis)
detain, (detention, confinement, custody)
opsluiten
ducting; to lock; to retain; to confine; to be trapped
opsluiten
imprison
opsluiten
jail
opsluiten
lock up
opsluiten
lockup
opsluiten
put away
opsluiten
shut up
opsluiten
silence
opsluiten
stow
opsluiten
to lock up