Nederlandse versie
Meaning of
"zijn"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
zijn rijk
abound
zijn bijval betuigen
acclaim
zijn bijval betuigen
applaud
zijn van toepassing
apply
zijn
are
zijn aanwezig
attend
zijn
be
zijn mond houden
be quiet
zijnd
being
zijn mond houden
bequiet
zijn neus snuiten
blowone’s nose
zijn beklag doen
complain
zijn in overeenstemming
conform
zijn afkomstig
emanate
zijn
existence
zijn
her
zijn
his
zijn
his (possessive pronoun)
Zijne Koninklijke Hoogheid
His Royal Highness
zijn/haar
his/her
zijn
is
zijn
its
zijn
its (possessive determiner)
zijn stempel drukken op
mark
zijnstempeldrukkenop
mark
zijn dag niet , pechdag, baaldag
off-day
zijnsleer
ontology
zijn belangrijker dan
out weigh
zijn verschuldigd
owe
zijn buik liggen; de buikligging
prone position; face-down position
zijn ambt neerleggen
resign
zijnambtneerleggen
resign
zijn leven op het spel zetten
risk life and limb
zijn schouders ophalen
shrug
zijnschoudersophalen
shrug
zijn stempel drukken op
stamp
zijnstempeldrukkenop
stamp
zijn voldoende
suffice
zijn
their
zijn
to be
zijn tijd afwachten
to bide one’s time
zijn behoefte doen
to do one’s business (defecate)
zijn voordeel doen met
turn to account
zijnvoordeeldoenmet
turn to account
zijn voordeel doen met
turn to good account
zijnvoordeeldoenmet
turn to good account
zijn stem uitbrengen
vote
zijnstemuitbrengen
vote
zijn beurt afwachten
wait one’s turn
zijn handen in onschuld wassen
wash one’s hands of
zijn woede uitstorten over
wreak one’s anger upon
zijn woede uitstorten over
wreak one’s rage upon