Nederlandse versie
Translate
"imp"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
imp
luchtgeest
imp
kobold
imp
kabouter
imp
elf
imp
aardmannetje
impact
treffen
impact
ontroeren
impact
krachtige invloed {de}
impact
inwerking
impact
invloed, uitwerking, draagwijdte
impact
invloed
impact
impact {de}
impact
effect
impact
botsing {de}
impact
bewegen
impact
beïnvloeden
impact
aandoen
impact - / crash attenuator / crash cushion
obstakelbeveiliger
impact angle
inrijhoek
impact attenuator
rimpelbuisobstakelbeveiliger
impact energy
slagarbeid
impact force
stootkracht
impact hebben
aankomen, inslaan
impact load; shock load
stootbelasting
impact moulding press
slagpers
impact proof; impact-resistant
slagvast
impact resistance; shock resistance
stootvastheid
impact riveting
drukkend felsen
impact sled
dolly (verrijdbaar onderstel bij botsproeven)
impact strength
slagsterkte
impact strength; impact resistance
slagvastheid
impact tensile test
trekslagproef
impact tensile test
slagtrekproef
impact test
slagproef
impact, (effects) 2. (impact, strike) 3. (collision) 4. affect, influence
1. effect, gevolg, inwerking, botsing 2. inslag, inslaan van projectiel 3. botsing 4. beïnvloeden
impact; shock; surge; pulse; push; jerk; jolt
stoot
impact-bending test
slagbuigproef
impacted
beïnvloede
impacter
impacter
impacting
het beïnvloeden
impact-resistant; shock-resistant
stootvast
impact-riveting tool
drukkend felsgereedschap
impacts
effecten
impair
schaden
impair, (impede, preclude, divert, obstruct)
beperken, (ver)hinderen, tegenhouden, beletten
impaired
geschade
impaired
bemoeilijkt
impaired parents
kind van gehandikapte ouders
impairing
het schaden
impairings
het schaden
impairment
stoornis
impairment; loss of function
zwakheid, de degradatie, de defect, de stoornis, de beperking; de achteruitgang
impairs
schaadt
impalas
impala’s
impale
spietsen
impaled
gespietste
impales
spietst
impaling
het spietsen
impanel
stellen samen
impanels
stelt samen
impart
verlenen
imparted
verleende
impartial
partijloos
impartial
onpartijdig
impartial
objectief
impartial
neutraal
impartial
afzijdig
impartial, (neutral, unbiased, non-partisan, evenhanded)
onpartijdig, onbevooroordeeld
impartiality
onpartijdigheid
impartially
onpartijdig
imparting
het verlenen
imparts
verleent
impassable
onoverschrijdbaar
impassable, (NO-GO)
onbegaanbaar, onoverkomelijk
impasse, (deadlock)
impasse (onderhandelingen), zonder vooruitgang (vastgelopen)
impassioned
gloedvol
impassive
gevoelloos
impatience
ongeduld {het}
impatience
ongeduld
impatiences
ongeduld
impatient
ongeduldig
impatient
duldeloos
impatiently
ongeduldig
impeach
beschuldigen
impeach of
beschuldigenvan
impeached
beschuldigde
impeaches
beschuldigt
impeaching
beschuldiging
impeachment
beschuldiging {de}
impeachment(procedure)
afzetting(sprocedure), ambtsonzetting(szaak), inbeschuldigingstelling
impeachof
beschuldigen van
impeccable
smetteloos
impeccable
onberispelijk
impecunious
onbemiddeld
impedance
impedantie
impedance arm
impedantiearm
impedance bridge
impedantiebrug
impedance converter; impedance transformer
impedantieomvormer
impedance drop
impedantieval
impedance ground
aardimpedantie