Nederlandse versie
Translate
"to be"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
to be
zijn
to be
zich bevinden
to be
geweest
to be / get rejected
een blauwtje lopen (fig.)
to be / get turned down
een blauwtje lopen (fig.)
to be a check on something; to act as a check on something
als een rem op iets werken
to be able (to) (can)
kunnen
to be absent
ontbreken
to be absent
mankeren
to be accustomed to
plegen te (gewoon zijn)
to be adjacent (to); to border (on)
grenzen (aan)
to be afraid
bang zijn
to be afraid of
bang zijn voor
to be afraid of
bang zijn van
to be afraid of
angst hebben voor
to be ahead of schedule
voor zijn
to be alive
leven
to be all at sea
de kluts kwijt zijn
to be allowed
mogen
to be amazed
zich verbazen
to be annoyed
zich ergeren
to be apart; to be spaced
uit elkaar staan
to be as alike as two peas in a pod (fig.)
als twee druppels water op elkaar lijken (fig.)
to be as fit as a fiddle
kiplekker zijn
to be ashamed
zich schamen
to be at one’s last gasp (coll.)
op apegapen liggen (fig.) (omg.)
to be at rest; to be in a position of rest
in de rusttoestand verkeren
to be at right angles to each other
haaks op elkaar staan
to be available
ter beschikking staan
to be baffled
verbluft zijn
to be baffled
verbaasd zijn
to be battery-operated; to be battery-powered
werken op batterijen
to be bored
zich vervelen
to be born
geboren worden
to be busy
het druk hebben
to be called
heten (intransitief)
to be cancelled; to be withdrawn; to decay; to decline; to fall off; to deteriorate; to degrade; to disintegrate; to expire
vervallen
to be capable
in staat zijn
to be cocking; to be out of true; to be out of alignment
scheefstaan
to be compelled to
zich genoodzaakt zien
to be confused
in de war zijn
to be conspicuous
opvallen
to be continued
wordt vervolgd
to be continued
vervolg-
to be crazy about sb./sth. (coll.)
stapelgek op iem./iets zijn
to be crazy about sb./sth. (coll.)
stapel op iem./iets zijn
to be crazy about sb./sth. (coll.)
gek op iem./iets zijn
to be crazy about sb./sth. (coll.)
dol op iem./iets zijn
to be dead broke
op zwart zaad zitten
to be derailed
ontsporen
to be diametrically opposed to
lijnrecht staan tegenover
to be done
klaar zijn
to be drunk
boven zijn theewater zijn (fig.)
to be embarrassed
zich generen
to be employed
tewerkgesteld zijn
to be employed; to be gainfully employed
in dienst zijn
to be enacted
zich constitueren
to be engaged
bezig zijn
to be established
zich constitueren
to be fed up with sb./sth.
iem./iets beu zijn
to be fixed; to be established; to be definite; to be final; to be firm
vaststaan
to be fixed; to be established; to be laid down; to be recorded; to be taped
vastliggen
to be fixed; to be fastened; to be secured; to be tight; to be stuck; to be jammed; to be seized
vastzitten
to be flat
vlak verlopen
to be fond of
houden van
to be found
verkeren
to be hasty
jachten
to be honest
om eerlijk te zijn
to be in a bad mood
de bokkepruik op hebben
to be in a hurry
haast hebben
to be in agreement with; to be in conformity with
in overeenstemming zijn
to be in conflict with sb.
met iem. overhoop liggen
to be in line
in elkaars verlengde staan
to be in love with
verliefd zijn op
to be in order
in orde zijn
to be in suspension
zweven
to be in the know
ingewijd zijn
to be inclined; to lean over
overhellen
to be inflamed
ontsteken
to be intent on
zinnen op (wraak, succes)
to be interested in sth.
voor iets belangstelling hebben
to be jammed; to be seized; to be stuck
klemzitten
to be jammed; to be seized; to be stuck
klemlopen
to be lacking; to be missing
ontbreken
to be launched; to be brought out; to be released; to protrude; to project; to prove correct; to come true
uitkomen
to be liberated; to be set free; to be disengaged; to be released; to become vacant
vrijkomen
to be like
zwemen (naar)
to be lucky
boffen
to be mad about sb./sth. (coll.)
stapelgek op iem./iets zijn
to be mad about sb./sth. (coll.)
stapel op iem./iets zijn
to be mad about sb./sth. (coll.)
dol op iem./iets zijn
to be missing
ontbreken
to be mistaken
zich vergissen
to be named
heten
to be on duty
van dienst zijn
to be on holiday (esp. Br.)
vakantie vieren
to be on the decline
aftakelen
to be on the way (coming)
in aantocht zijn
to be on time
op tijd zijn
to be one’s old self again
weer de oude zijn