Nederlandse versie
Translate
"have"
to Dutch Language
English to Dutch
Dutch to English
English
Dutch
have
zullen
have
toucheren
have
recipiëren
have
opvangen
have
opnemen
have
ontvangen
have
moeten
have
krijgen
have
heet
have
heeft
have
hebt
have
hebben
have
heb
have
genieten
have
gekregen
have
gehad
have
eropnahouden
have
erop nahouden
have
erkennen
have
dienen
have
behoren
have
accepteren
have
aanvaarden
have
aannemen
have a baby
bevallen
have a bath
eenbadnemen
have a bath
een bad nemen
have a bath
baden
have a fever
koortshebben
have a fever
koorts hebben
have a good time
zichvermeien
have a good time
zichvermaken
have a good time
zichamuseren
have a good time
zich vermaken
have a good time
zich amuseren
have a tendency
neigen
have ag ood time
zich vermeien
have an accident
eenongelukkrijgen
have an accident
een ongeluk krijgen
have an erection
eenerectiekrijgen
have an erection
een erectie krijgen
have an interest in
belanghebbenbij
have an interestin
belang hebben bij
have at one’s disposal
disponeren
have at one’s disposal
beschikkenover
have at one’s disposal
beschikken over
have bad luck
wanboffen
have bad luck
pechhebben
have bad luck
pech hebben
have compassion on
medelijdenhebbenmet
have compassion on
medelijdenhebben
have compassion on
medelijden hebben met
have compassion on
medelijden hebben
have compassion on
beklagen
have confidence in
vertrouwenhebbenin
have confidence in
vertrouwen hebben in
have confidence in
vertrouwen
have confidence in
toevertrouwen
have diarrhoea
diarreehebben
have diarrhoea
diarree hebben
have effect
werken
have effect
uitwerkinghebben
have effect
uitwerking hebben
have effect
uitwerken
have effect
effectsorteren
have effect
effect sorteren
have enough
volzitten
have enough
vol zitten
have enough
genoeghebben
have enough
genoeg hebben
have faith
vertrouwenstellenin
have faith
vertrouwen stellen in
have faith
vertrouwen
have faith
fiduciehebbenin
have faith
fiducie hebben in
have faith in
vertrouwenstellenin
have faith in
vertrouwenop
have faith in
vertrouwen op
have faith in
vertrouwen
have faith in
fiduciehebbenin
have faith in
fiducie hebben in
have good luck
zwijnen
have good luck
hettreffen
have good luck
het treffen
have good luck
gelukhebben
have good luck
geluk hebben
have good luck
boffen
have got
hebben
have got
eropnahouden
have got
erop nahouden
have got hold of
beethebben
have sex
wippen
have sex
vozen
have sex
neuken
have sex
naaien
have sex
copuleren
have sexual intercourse
paren
have sexual intercourse
gemeenschaphebben
have sexual intercourse
gemeenschap hebben
have sexualin tercourse
paren