Nederlandse versie
Meaning of
"een"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
een
a
een of ander
a
een of andere
a
een beetje een ...
a bit of a ...
een paar
a couple of
een paar
a few
een moment
a few minutes
een glas water
a glass of water
een beetje
a little
een klein beetje
a little
een weinig
a little
een boel
a lot
een hoop
a lot
een moment
a moment
een lust voor het oog
a sight for sore eyes
een storm in een glas water
a storm in a teacup (Br.)
eenzaamheid
abandonment
een afschuw hebben van
abhor
een afschuw hebben van
abominate
een miskraam krijgen
abort
een stuk of
about
een gevolgtrekking maken
abstract
een grotere kans op ongelukken lopend
accident-prone
een dienst bewijzen
accomodate
een
ace
een wenk geven
advance
een schikking treffen
agree
eens zijn met, eens worden over, instemmen met
agree (on)
eender
alike
een beetje
alittle
een klein beetje
alittle
een weinig
alittle
een allergie veroorzakend
allergenic
eenzaam
alone
een heleboel
alot
een hinderlaag leggen
ambush
een moment
amoment
een
an
een uur gaans
anhour’s walk
eenjarige plant {de}
annual
een ander
another
een andere
another
een andere keer
anothertime
een of ander
any
een of andere
any
een paar
any
eender wanneer
any time
een of ander
anybody
een of andere
anybody
eender waar
anyplace
eender wanneer
anytime (esp. Am.)
eenvoudig
apparent
een beroep doen op
appeal
een beroep doen op
appeal to
een beroep gedaane
appealed
een stuk of
approximately
een boog gevormde
arced
een boog gevormde
arked
een aanslag plegen op
assault
eenmaal
atsometime
eens
atsometime
een prijs toekennen
award a prize
een prijs toekennen
awardaprize
een spatie teruggegaane
backspaced
een backup maken
backup
een backup maken van
backup
eendenmossel
barnacle
eendenmosselen
barnacles
eenheidsgat
basic hole
eenheidsas
basic shaft
een bad nemen
bathe
een hoge vlucht nemen
be in
een hoge vlucht nemen
beahit
een aanvang nemen
begin
een familielid zijn van
berelated to
eenzijdig
biased
een hoge vlucht genomen
boomed
een buiging maken
bow
een bres slaan
breach
een bres slaan in
breach
een ronde vrij hebben, (een ronde) vrij zijn
bye, een ~ hebben
een beroep doen op, uitnodigen tot
call upon
een kreet slaken
callout
eenrichtingsverbindingsfaciliteit
calls barred facility
een (vredes)regeling ontduiken
circumvent an agreement
eenduidig
clear-cut
een aanvang nemen
come on
eenzijdig samengestelde stippeling
community nursing; community health nursing
een conclusie wettigend
conclusive
een operatie leiden
conduct an operation
eenstemmig
consentaneous
een lening sluiten
contractaloan
een gesprek voeren
converse
een streep halen door
crossout
een buiging maken
curtsy
eenzaamheid
desertion
eenheid
device; item; unit; individual; man- minute
een hekel hebben aan
dislike
eenmalig gebruik; wegwerp-
disposable; single-use
een streep trekken
draw