Nederlandse versie
Meaning of
"verleden"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
verleden
ago
verleden
former
verleden
last
verledenweek
last week
verleden week
lastweek
verleden
old
verleden
once
verleden
past
verleden {het}
past
verleden tijd
past
verledentijd
past
verleden
previous
verleden
prior
verleden
sometime