Nederlandse versie
Meaning of
"voor"
in English language
Dutch to English
English to Dutch
Dutch
English
voorligger
(vehicle) in front
voor de middag
a.m.
voortijdige stop
abend
voortdurend
abiding
voortijdige afsluiting
abort
vooral
above all
voornamelijk
above all
voorgenoemd
above mentioned
vooral
absolutely
voorzien van
accomodate with
voorzien van
accomodatewith
voor zijn rekening nemen
account for
voortkomen
accrue
voorlichten
acquaint
voorstellen
acquaint
voorbijgaand
acute
voor-
advance
voorschieten
advance
voorsprong {de}
advance
voortgang
advance
vooruitbrengen
advance
vooruitgaan
advance
vooruitgang
advance
vooruitgang {de}
advance
voorwaarts gaan
advance
voorschot {het}
advance (of money)
voorsignalering (route)
advance direction sign
voorinformatie
advance information
vooruitbestelling
advance order; forward order
voortgang
advancement
vooruitgang
advancement
vooruitgang
advances
voordeel
advantage
voordeel {het}
advantage
voordeel
advantage; benefit; profit
voordelig
advantageous
voordelig (gunstig)
advantageous
voordelig
advantageous; profitable; favourable
voordelig
advantageously
voordelen
advantages
voordelen {mv}
advantages
voorspreker
advocate
voorkomend
affable
voortbrengen
afford
voorafgaand
aforegoing
voorgemeld
aforementioned
voorgenoemd
aforementioned
voormeld
aforementioned
voornoemd
aforementioned
voornoemd
aforenamed
voorgemeld
aforesaid
voorgenoemd
aforesaid
voormeld
aforesaid
voornoemd
aforesaid
voortgangsrapportage
aggregate reporting
vooraan
ahead
voorheen
ahead
voorover
ahead
voort
ahead
vooruit
ahead
voorwaarts
ahead
voorstand
ahead of schedule
voor de weerstand
ahead of the resistor
voornemen
aim
voorkomen
air
voorgift
allowance; handicap
voorlopig
allthetime
voorts
also
voorkomend
amiable
voorouder {de}
ancestor
voorvader
ancestor
voorvader {de}
ancestor
voorvader van moederszijde; de moedersmoeder
ancestor on the mother’s side
voorvaderen
ancestors
voorouderlijk
ancestral
voorvaderlijk
ancestral
voorgeslachten
ancestries
voorgeslacht
ancestry
voorts
and...aswell
voorts
andalso
voorafgaand
antecedent
voorgaande
antecedent
voorpand
antecedent
voorstuk
antecedent
voorvader
antecedent
voorafgaand
anterior
voorste
anterior
vooruitlopen
anticipate
vooruitlopen op
anticipate
voorzien
anticipate
voorzien; verwachten, verhaasten
anticipate
voorzien, vroegtijdig op inspelen, voorvoelen, (aanvoelen)
anticipate, (foresee, perceive, sense)
voorzien
anticipated
voorziet
anticipates
voorvechter
apostle
voorkomen
appear
voorkomen
appearance
voorkomen {het} (uiterlijk)
appearance
voorkomen
appeartobe
voorgerecht {het}
appetizer